Als zelfstandige zorg verlenen: het kan nog steeds

Demi van Sas

Advocaat

Sinds de aankondiging van de Belastingdienst om actief te handhaven op schijnzelfstandigheid in de zorg, is de discussie over ‘zzp’erschap’ in zorginstellingen en onder zorgverleners behoorlijk toegenomen. Zeker in de situatie dat zorgverleners voor één praktijk werken, op vaste dagen werken en werk doen dat volledig past binnen de organisatie, is de aanname veelal dat de zorgverlener en zorginstelling het risico lopen dat de zorgverlener als werknemer wordt gezien, en niet als zelfstandige. In een recente uitspraak van de kantonrechter te Tilburg pakt het echter anders uit.

De casus

In deze zaak werkte een logopedist sinds 2024 voor een dyslexie- en logopediepraktijk op basis van een overeenkomst van opdracht. Vanwege de fiscale regelgeving besloot de praktijk eind 2024 dat voortzetting van de overeenkomst van opdracht niet langer mogelijk was.
De praktijk stelde daarom voor over te gaan naar een arbeidsovereenkomst. Partijen kwamen echter niet tot overeenstemming over de voorwaarden. De praktijk beëindigde daarop de samenwerking, waarna de logopedist naar de rechter stapte.

Signalen richting schijnzelfstandigheid

In deze situatie waren verschillende omstandigheden aanwezig die in de praktijk vaak worden aangehaald als signalen van schijnzelfstandigheid.  De logopedist werkte namelijk slechts voor één opdrachtgever, zij behandelde uitsluitend patiënten die via de praktijk werden doorverwezen, zij werkte doorgaans op vaste dagen in de behandelkamer van de praktijk, zij maakte gebruik van materialen en het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) van de praktijk en zij betaalde voor het gebruik geen vergoeding.

Oordeel van de rechter

Ondanks deze omstandigheden oordeelt de rechter tóch dat sprake is van zelfstandigheid en dat geen sprake is van een (verkapt) loondienstverband.

Doorslaggevend is de mate van feitelijke vrijheid in de uitvoering van het werk. In de praktijk bleek de logopedist haar werkzaamheden zelfstandig in te richten:

  • ze bepaalde zelf haar werktijden en planning;
  • ze kon patiënten weigeren;
  • ze kon afspraken zonder toestemming verplaatsen of annuleren;
  • ze had geen functioneringsgesprekken of inhoudelijke aansturing;
  • ze bepaalde zelf hoe ze behandelingen uitvoerde.

De rechter erkent dat het werk weliswaar ingebed was in de organisatie, maar oordeelt ook dat de persoon dat zelf niet is.

Individuele beoordeling is essentieel

Dit oordeel van de rechter biedt een handvat voor situaties die op deze specifieke casus lijken. Duidelijk is ook dat het hebben van maar één opdrachtgever, op zichzelf niet betekent dat geen sprake kan zijn ondernemerschap en van zelfstandigheid.

Wel laat de rechtspraak zien dat de beoordeling casuïstisch is. Elementen die daarbij van belang zijn, zijn onder meer de mate van zelfstandigheid, werkinhoudelijke vrijheid en risico van de opdrachtnemer, zoals onze advocaat mr. Céline Peersman uitlegde in een interview met Zorgvisie over deze uitspraak.

Tot slot

De beoordeling van schijnzelfstandigheid vindt plaats op basis van alle omstandigheden van het geval. Daarbij is met name de feitelijke vrijheid in de uitvoering van het werk een belangrijke factor.
Een eenduidig wettelijk kader ontbreekt op dit moment. Wel heeft het kabinet aangekondigd de komende periode verder te werken aan de Zelfstandigenwet, waarin criteria voor zelfstandig ondernemerschap worden vastgelegd. Opvallend is dat in die voorstellen ruimte wordt gelaten om sectoren aan te wijzen waar een rechtsvermoeden van werknemerschap kan gelden. Of daarvoor de zorgsector in beeld zal komen – wat zou betekenen dat in de zorg sneller wordt aangenomen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, tenzij het tegendeel wordt bewezen – is afwachten.

Deze uitspraak laat echter zien dat die sectorale benadering niet altijd aansluit bij de praktijk. Een zorgvuldige beoordeling per individueel geval is dan ook essentieel.

Specialisten over dit onderwerp

Gerelateerde items