Beëindiging geneeskundige behandelingsovereenkomst door zorginstelling

27 augustus 2019

Patiënten kunnen vrij eenvoudig een behandelovereenkomst met hun zorgverlener opzeggen. Andersom is het een stuk lastiger: zorginstellingen kunnen slechts onder bepaalde omstandigheden de geneeskundige behandelingsovereenkomst met een patiënt beëindigen. Om welke omstandigheden gaat het?

Gewichtige redenen

De wet bepaalt dat het opzeggen van de behandelovereenkomst alleen kan als sprake is van ‘gewichtige redenen’. Maar wanneer is er sprake van gewichtige redenen? In de KNMG-richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ is uiteengezet wanneer gewichtige redenen zich voordoen. De richtlijn benoemt de navolgende situaties:

a). de patiënt komt een aantal essentiële plichten of regels niet na, ook niet na herhaaldelijk (schriftelijk) aandringen of waarschuwen door de instelling en/of de arts;

b). door toedoen van naasten van de patiënt ontstaan ernstige spanningen met de hulpverleners waardoor voortzetting van zorgvuldige behandeling en verzorging van de patiënt ernstig wordt bemoeilijkt;

c). om organisatorische of budgettaire redenen of vanwege de zorgbehoefte van de patiënt kan niet langer verantwoorde zorg worden gegarandeerd;

d). er is niet langer een indicatie voor opname en behandeling van de patiënt aanwezig.

Zorgvuldigheidseisen

Ook indien bovenstaande gewichtige redenen zich voordoen kan de behandelovereenkomst alleen worden opgezegd na het in acht nemen van een aantal zorgvuldigheidseisen.

Zo zal de zorginstelling in de gevallen genoemd onder a en b bij de patiënt moeten aandringen op verbetering/verandering en moeten waarschuwen. Bij alle gewichtige redenen dient bovendien een redelijke termijn voor de beëindiging in acht te worden genomen. Ook dient de medisch noodzakelijke hulp voortgezet te worden. Vervolgens zal tot aan het eventuele ontslag uit de instelling medewerking verleend moeten worden (bijvoorbeeld door het verstrekken van voor overplaatsing noodzakelijke informatie). Doet een van de situaties onder b en c zich voor dan zal de instelling ook behulpzaam moeten zijn bij het zoeken naar een passend alternatief voor de patiënt.

De rechter

De rechter heeft zich meermaals moeten buigen over de vraag of een zorginstelling de behandelovereenkomst terecht heeft beëindigd. Een illustratief vonnis werd in 2018 door de rechter gewezen.

Een man van 29 met een verstandelijke beperking ontving zorg via een ‘modelzorgovereenkomst met een zorginstelling’. De man woonde van 2009 tot 2016 in een woonvoorziening waarvoor een gecombineerde woon-zorgovereenkomst was gesloten. In deze woonvoorziening werd door de zorginstelling zorg verleend. Tussen de ouders van de man en de zorginstelling bestond al langere tijd verschil van inzicht over verschillende aspecten van de zorg waardoor de zorginstelling vond dat met de ouders niet viel samen te werken. De zorginstelling heeft vervolgens de zorgovereenkomst telefonisch opgezegd, omdat zij van mening was dat ‘zij niet de begeleiding kan bieden die nodig is’. De ouders van de man vonden dat er geen gewichtige redenen waren om de zorgovereenkomst op te zeggen. Omdat partijen er onderling niet uitkwamen, startte de ouders een kort geding om zo de zorginstelling te dwingen de zorgovereenkomst na te komen.

De rechter oordeelde dat de aard van de overeenkomst en de zorgvraag met zich brengen dat het in de rede ligt bij de inkleuring van die gewichtige redenen aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten die gelden voor de opzegging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. In deze kwestie had opzegging van de overeenkomst tot gevolg dat de man niet langer gebruik kon maken van de woonvoorziening. Onder deze omstandigheden moesten, zo overwoog de rechter, er hoge eisen aan de opzegging worden gesteld. Ook was de rechter van mening dat van een professionele zorgverlener verwacht mag worden dat, indien een stap gezet wordt die tot gevolg heeft dat de man zijn woonplek verliest, zij nagaat of dat gevolg met het oog op de belangen en mogelijkheden van de zoon aanvaardbaar is. In deze zaak was de rechter van mening dat er geen gewichtige redenen waren om de zorgovereenkomst op te zeggen. Bovendien oordeelde de rechter dat er geen gewichtige redenen waren om de zorg niet te hervatten. Dat had tot gevolg dat de zorgovereenkomst voortgezet dient te worden.

Tot slot

Conclusie van de richtlijn en de lijn in de rechtspraak is dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is gewichtige redenen op grond waarvan de opzegging van een behandelovereenkomst gerechtvaardigd is. Slechts in een nader bepaald beperkt aantal gevallen is een zogenoemde ‘gewichtige reden’ aanwezig. Bovendien dient de zorginstelling, indien de instelling van mening is dat zo een gewichtige reden aanwezig is, aan allerlei zorgvuldigheidseisen te voldoen vóór de overeenkomst ook daadwerkelijk kan worden opgezegd. Waakzaamheid en zorgvuldige afweging van de (juridische) posities van de zorginstelling en de patiënt is dus geboden.

Deel dit verhaal:
  • Meld u nu aan voor onze nieuwsbrief!
    Wilt u op de hoogte worden gehouden van de laatste ontwikkelingen en veranderingen op juridisch gebied? Via onze nieuwsbrief krijgt u automatisch de laatste nieuwtjes via de e-mail toegestuurd.
  • Inschrijven nieuwsbrief