Euthanasie, óók bij vergevorderde dementie

4 mei 2020

De Hoge Raad bevestigt: ook in geval van diepe dementie kan gevolg worden gegeven aan een eerder vastgelegd schriftelijk verzoek om levensbeëindiging.

Wat was er aan de hand?

Patiënte heeft Alzheimer. Zij tekent in 2012, op het moment dat zij nog wilsbekwaam is, een schriftelijk euthanasieverzoek met daarbij een dementieclausule. Hierin geeft zij aan: “(..) Ik wil gebruik maken van het wettelijk recht om vrijwillige euthanasie op mij toe te passen, wanneer ik nog enigszins wilsbekwaam ben en niet meer in staat om thuis bij mijn man te wonen. Ik wil beslist niet geplaatst worden in een instelling voor demente bejaarden.”

In 2015 herziet patiënte de dementieclausule. Zij wijzigt dit in de woorden: “(..) Ik wil gebruik maken van het wettelijk recht om vrijwillige euthanasie op mij toe te passen, wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht. Ik wil beslist niet geplaatst worden in een instelling voor demente bejaarden.”

De toestand van patiënte verslechtert. In maart 2016 wordt zij opgenomen in een verpleeghuis. Patiënte vertoont het overgrote deel van de dag tekenen van agitatie, onrust, stress, angst, verdriet, boosheid en paniek. Haar dag/nachtritme is verstoord en zij doolt vrijwel dagelijks over de gangen. Desgevraagd legt zij tegenstrijdige verklaringen af over haar stervenswens.  Patiënte is inmiddels diep dement en wilsonbekwaam.

Op 22 april 2016 is, na consultatie van een onafhankelijk tweede arts en een eensluidend oordeel dat aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, euthanasie toegepast.

De Regionale Toetsingscommissie Euthanasie oordeelt dat de arts niet heeft gehandeld conform de wettelijke zorgvuldigheidseisen. Zij stelt onder meer dat de in de loop der tijd aangepaste schriftelijke wilsverklaring onduidelijk was.

Het Regionaal Tuchtcollege legt de arts in de hierop volgende klachtprocedure de maatregel van berisping op. De arts komt tegen deze beslissing in beroep. In de beroepszaak vernietigt het Centraal Tuchtcollege de beslissing en legt in plaats daarvan de maatregel van waarschuwing op.  Het Centraal Tuchtcollege gunt zichzelf slechts een beperkte beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag of een arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen. Het oordeel van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie zou volgens het Centraal Tuchtcollege als uitgangspunt moeten worden genomen.

Tegen deze uitspraak is cassatie in het belang der wet ingesteld. Een van de kernpunten hierbij is de beperkte beoordelingsruimte die het Centraal Tuchtcollege zich gunde. Een ander kernpunt is de uitleg van de schriftelijke wilsverklaring. De Hoge Raad heeft hierover op 21 april 2020 uitspraak gedaan.

Hoge Raad geeft richting aan zorgvuldigheidseisen

De Hoge Raad bevestigt in zijn uitspraak ECLI:NL:HR:2020:712 en ECLI:NL:HR:2020:713 van 21 april jl. dat een arts gevolg mag geven aan een schriftelijk euthanasieverzoek van een patiënt met vergevorderde dementie. Uiteraard mits aan alle wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan.

Voor wat betreft het door het Centraal Tuchtcollege gehanteerde (beperkte) beoordelingskader oordeelt de Hoge Raad dat de tuchtrechter de taak heeft om tot een eigen, onafhankelijk oordeel te komen. Het Tuchtcollege is dus niet gebonden aan het oordeel van de Regionale Toetsingscommissie.

Voor wat betreft de schriftelijke wilsverklaring oordeelt de Hoge Raad ondermeer het volgende:

Voorwaarde voor euthanasie in het geval van dementie is, dat een patiënt specifiek schriftelijk heeft verzocht om levensbeëindiging indien hij door dementie niet meer in staat is zijn wil te uiten. Dit verzoek van de patiënt moet niet alleen worden uitgelegd aan de hand van de letterlijke woorden in de schriftelijke verklaring. Het gaat ook om andere omstandigheden waaruit de bedoelingen van de patiënt kunnen worden afgeleid. Er is dus ruimte voor interpretatie van het schriftelijke verzoek. Met het oordeel van de Hoge Raad dat er  ruimte is voor interpretatie, is een belangrijke stap gezet. In de hiervoor genoemde tuchtzaak tegen de arts, oordeelde de tuchtrechter namelijk nog dat er in beginsel geen ruimte is voor interpretatie van een schriftelijke verklaring.

De Hoge Raad geeft in zijn arrest aan dat vooral de eis dat sprake moet zijn van ondraaglijk lijden, in geval van dementie bijzondere aandacht vraagt. Als er geen andere aandoening is waardoor de patiënt fysiek lijdt, kunnen er namelijk toch signalen zijn dat de patiënt zodanig lijdt aan de voortgeschreden dementie dat zijn lijden als ondraaglijk kan worden aangemerkt.

Het al dan niet gevolg geven aan een schriftelijke wilsverklaring van een patiënt met dementie leidt altijd tot zeer moeilijke afwegingen waarvan de uitkomsten nooit vanzelfsprekend zijn. Met deze uitspraak heeft de Hoge Raad evenwel bevestigd dat er gevallen zijn waarin dit verzoek kan worden gerespecteerd door daaraan uitvoering te geven.

Deel dit verhaal:
  • Meld u nu aan voor onze nieuwsbrief!
    Wilt u op de hoogte worden gehouden van de laatste ontwikkelingen en veranderingen op juridisch gebied? Via onze nieuwsbrief krijgt u automatisch de laatste nieuwtjes via de e-mail toegestuurd.
  • Inschrijven nieuwsbrief