Uitvoeringsbesluit Wtza: de uitzonderingen en het ‘getrapt’ toezicht

8 juni 2020

Op 11 februari jl. zijn de wetsvoorstellen Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) en de Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders (AWtza) aangenomen door de Tweede Kamer. De Wtza en de AWtza zullen, wanneer deze in werking zijn getreden, diverse nieuwe verplichtingen met zich brengen. Over deze verplichtingen hebben wij eerder een artikel geschreven. Recentelijk is de nadere regelgeving met betrekking tot deze wetsvoorstellen gepubliceerd ter consultatie: het concept Uitvoeringsbesluit Wtza (hierna: het “Uitvoeringsbesluit”). In dit artikel zal nader worden ingegaan op het effect van het Uitvoeringsbesluit op de verplichtingen op basis van de (A)Wtza, en dan met name het intern toezicht.

Op grond van de Wtza krijgen zorgaanbieders diverse (nieuwe) verplichtingen, waaronder: de meldplicht, de vergunningplicht en het aanstellen van interne toezichthouders.

Meldplicht en vergunningplicht

In de Wtza is bepaald dat zorgaanbieders – die zorg als bedoeld bij of krachtens de Wkkgz (gaan) verlenen – moeten voldoen aan de meldplicht. Dit betekent dat nieuwe zorgaanbieders zich voorafgaand aan de aanvang van zorgverlening dienen te melden bij de IGJ en bestaande zorgaanbieders zich binnen zes maanden na inwerkingtreding van de Wtza dienen te melden bij IGJ. Instellingen die medisch specialistische zorg verlenen en instellingen die Zvw- of Wlz-zorg verlenen én waarbij de zorg wordt verleend met meer dan 10 zorgverleners dienen bovendien een toelatingsvergunning aan te vragen. Bestaande zorgaanbieders dienen in bepaalde gevallen ook aan deze vergunningplicht te voldoen. Voor deze gevallen verwijzen wij naar ons eerdere artikel. In het Uitvoeringsbesluit wordt een aantal categorieën van zorgaanbieders uitgezonderd van deze meld- en vergunningplicht (zoals abortusklinieken en Regionale Ambulancevoorzieningen). Ook zijn bepaalde categorieën jeugdhulpaanbieders uitgezonderd van de meld- en vergunningplicht (artikel 4.0.1 en 10.2).

Intern toezicht

Eisen aan de bestuursstructuur: intern toezicht

Een vergunningsaanvraag wordt getoetst op een aantal elementen, waaronder de transparantie-eisen met betrekking tot de bestuursstructuur en bedrijfsvoering. Onderdeel hiervan – ten aanzien van de bestuursstructuur – is dat instellingen een interne toezichthouder dienen aan te stellen (bijvoorbeeld een Raad van Toezicht). In het Uitvoeringsbesluit is opgenomen dat deze eis onder andere niet geldt voor (i) kleine zorginstellingen, die met tien of minder zorgverleners medisch specialistische zorg (doen) verlenen en (ii) instellingen waarbij cliënten niet gedurende minstens een etmaal kunnen verblijven én die met 25 of minder zorgverleners Zvw- of Wlz-zorg leveren (indien geen sprake is van medisch specialistische zorg of persoonlijke verzorging, begeleiding of verpleging in de zin van de Wlz/het Besluit zorgverzekering). Deze instellingen hoeven dus geen interne toezichthouder aan te stellen.

Zie hier een schematische weergave van de uitgezonderde zorgaanbieders.

Het Uitvoeringsbesluit werkt de verplichting tot het aanstellen van intern toezicht nader uit. Onderstaand zijn de meest opvallende bepalingen benoemd.

Geen getrapt toezicht

In het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat de dagelijkse of algemene leiding van een instelling, deze toezichthouder in staat moet stellen zijn/haar taak zo goed mogelijk uit te voeren. Opvallend hierbij is dat in de toelichting op het Uitvoeringsbesluit, is bepaald dat van ‘getrapt’ toezicht geen sprake mag zijn. Dit houdt in dat het van belang is dat een interne toezichthouder in een holdingstructuur, tevens direct toezicht moet (kunnen) houden op de dochterondernemingen (zoals ‘ingehangen’ zorg BV’s), zodat de risico’s voor de instelling kunnen worden overzien. Een en ander is een verscherping van hetgeen momenteel is geregeld. In de toelichting op het Uitvoeringsbesluit is wel bepaald dat het is toegestaan dat een persoon lid is van de interne toezichthouder van verschillende instellingen binnen een groep, dan wel bij zowel een moeder- als dochterorganisatie.

Omvang toezichthouder (artikel 6 Uitvoeringsbesluit)

In het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat de interne toezichthouder uit minstens drie (natuurlijke) personen moet bestaan. Dit is nieuw ten opzichte van zowel het Uitvoeringsbesluit WTZi, als de Governancecode Zorg 2017 waarin is bepaald dat de omvang wordt geregeld in de statuten.

Onafhankelijkheid (artikel 7 Uitvoeringsbesluit)

In zowel het Uitvoeringsbesluit WTZi als in de Governancecode Zorg 2017 is neergelegd dat de interne toezichthouders onafhankelijk (en kritisch) dienen te opereren ten opzichte van elkaar, de dagelijkse en algemene leiding van de instelling en welk deelbelang dan ook. Deze onafhankelijkheid is verder uitgewerkt en verankerd in het Uitvoeringsbesluit. Zo is in artikel 7 lid 1 Uitvoeringsbesluit neergelegd:

  • Dat een lid van de interne toezichthouder geen andere financiële vergoeding van de instelling mag vervangen dan een passende vergoeding (sub a);
  • Dat een lid van de interne toezichthouder (of diens echtgenoot/levensgezel, pleegkind, bloed-of aanverwant tot in de tweede graad) (sub b):
    • Tijdens dan wel in de periode van drie jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder, geen lid is (geweest) van de dagelijkse/algemene leiding van de instelling óf werknemer is geweest van de instelling (onderdeel 1 en 3).
    • Geen aandelen in de instelling houdt (onderdeel 6).
    • Geen lid is van de interne toezichthouder van een rechtspersoon die aandelen in de instelling heeft, of van een andere instelling die binnen het verzorgingsgebied van de instelling geheel of gedeeltelijk dezelfde werkzaamheden verricht, tenzij die rechtspersoon of andere instelling een dochtermaatschappij van de instelling is. Hiermee is dus bepaald dat het wél is toegestaan dat een persoon lid is van de interne toezichthouder van verschillende instellingen binnen een groep dan wel bij de moeder- en dochtermaatschappij (onderdeel 8).

Informatieverschaffing (artikel 9 Uitvoeringsbesluit)

In dit artikel is de verplichting voor de instelling neergelegd om (i) de interne toezichthouder tijdig en (desgevraagd) schriftelijk de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens te verschaffen en (ii) om de interne toezichthouder minstens jaarlijks schriftelijke te informeren over een aantal onderwerpen (onder andere de hoofdlijnen van het strategisch beleid).

Tijdlijn en conclusie

Het Uitvoeringsbesluit brengt diverse uitzonderingen/verduidelijkingen maar ook verscherpingen met zich mee. Uit een Kamerbrief aan de Eerste Kamer volgt echter dat de inwerkingtreding van de Wtza, vanwege de coronacrisis, is vertraagd. Zodoende wordt nu gestreefd naar inwerkingtreding per 1 juli 2021, in plaats van per 1 januari 2021. De Wtza en AWtza liggen momenteel voor aan de Eerste Kamer. Daarnaast heeft de Eerste Kamer tot 3 juli a.s. om zich te buigen over het Uitvoeringsbesluit. De inwerkingtreding van de (A)Wtza en daarmee het Uitvoeringsbesluit laat dus nog even op zich wachten. Wij blijven u op de hoogte houden van de ontwikkelingen.

Deel dit verhaal:

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel?

Neem dan contact met ons op via:

030-2332218
post@eldermans-geerts.nl

Belangrijk zorgnieuws ontvangen?

Meld u nu aan voor de nieuwsbrief met juridisch nieuws over de zorg.
Aanmelden
  • Meld u nu aan voor onze nieuwsbrief!
    Wilt u op de hoogte worden gehouden van de laatste ontwikkelingen en veranderingen op juridisch gebied? Via onze nieuwsbrief krijgt u automatisch de laatste nieuwtjes via de e-mail toegestuurd.
  • Inschrijven nieuwsbrief