Er is de laatste tijd veel aandacht voor de mondzorg in de langdurige zorg. Het gaat dan onder meer om mondzorg aan ouderen die verblijven in een Wlz-instelling en daar behandeling krijgen, waarbij de mondzorg vanuit de Wlz vergoedt wordt. In een eerder artikel schreven wij al over de toename van controles door zorgkantoren in de Wlz-mondzorg. Onlangs heeft de staatssecretaris van VWS in antwoorden op Kamervragen meer duidelijkheid gegeven over een aantal relevante aspecten, die vaak een rol spelen wanneer het gaat over mondzorg in de langdurige zorg. Wat zijn de belangrijkste zaken?
Behandelen op de kamer of in een mobiele tandartsbus
In de praktijk wordt de professionele mondzorg aan Wlz-cliënten regelmatig geleverd op de kamer van de cliënt in het verpleeghuis of in een mobiele tandartsbus (Dentalcar). De staatssecretaris is op de toelaatbaarheid daarvan in haar antwoorden ingegaan. Volgens de staatssecretaris is het leveren van de tandheelkundige zorg in de vorm van een tandartsbus en/of op de kamer van de bewoner passende zorg, mits wordt voldaan aan de daaraan te stellen eisen. Volgens de staatssecretaris is er geen harde norm of regel waaruit voortvloeit dat tandheelkundige handelingen in een tandartsomgeving moeten plaatsvinden. Het uitgangspunt is, aldus de staatssecretaris, dat tandartszorg verleend wordt in een ruimte waarin tandartszorg geboden kan worden, en dat kan ook een mobiele praktijkruimte zijn of de eigen kamer van een bewoner.
Door de staatssecretaris wordt ook een nadere motivering van dit standpunt gegeven. Volgens haar is het uitgangspunt dat een uitzondering gemaakt kan worden en de mondzorg op de eigen kamer kan plaatsvinden, als het in het voordeel van de cliënt is. Dit omdat een verplaatsing naar een behandelkamer voor veel mensen die Wlz-zorg in een verpleeghuissetting ontvangen – zo beschrijft de staatssecretaris – fysiek en/of psychisch belastend kan zijn, waardoor behandeling in de vertrouwde omgeving de minst ingrijpende en meest passende vorm van zorg is.
Dit antwoord van de staatssecretaris geeft op dit punt wel duidelijkheid en lijkt ons in lijn met de praktijk in veel Wlz-instellingen op dit moment. Daarbij geeft de staatssecretaris terecht aan dat er uiteraard grenzen zijn aan de mogelijkheden om de mondzorg in de eigen kamer plaats te laten vinden; sommige tandartsbehandelingen zullen naar hun aard bijvoorbeeld sowieso niet goed in de eigen kamer uitgevoerd kunnen worden.
Welke mondzorg aan Wlz-cliënten is ‘doelmatig’?
Zoals in ons eerdere artikel ook beschreven, zien de door de zorgkantoren uitgevoerde controles onder meer op de vraag of de geleverde zorg passend is geweest voor de betreffende cliënten. Met andere woorden: is de zorg doelmatig geweest? Ook over dit onderwerp heeft de staatssecretaris zich uitgelaten.
Volgens de staatssecretaris bestaan er op dit moment geen richtlijnen ten aanzien van de duur en het aantal behandelingen bij Wlz-cliënten. Daardoor is het niet goed mogelijk om conclusies te trekken over de vraag of al dan niet sprake is van ‘overbehandeling’. De staatssecretaris verwijst daarbij naar een recent NZa-rapport over de kosten in de langdurige zorg, waarbij ook de NZa aangeeft dat er op dit moment geen richtlijnen zijn over de omvang en duur van de Wlz-mondzorg. In het rapport geeft de NZa te kennen dat deze normen moeten worden opgesteld door tandartsen, en vervolgens kunnen worden opgenomen in wet- en regelgeving.
De NZa roept in het rapport de zorgkantoren op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen. De staatssecretaris onderschrijft deze oproep van de NZa, waarbij zij ook aangeeft dat het in eerste instantie aan de sector zelf is om deze richtlijnen te ontwikkelen.
Het lijkt ons voor alle partijen nuttig indien meer duidelijkheid zou ontstaan over de vraag wanneer Wlz-mondzorg passend en doelmatig is. Dat voorkomt complexe en onnodige discussies, ook bij achterafcontroles. Wel lijkt het ons van belang dat niet eenzijdig door de bijvoorbeeld zorgkantoren als de financiers van de zorg doelmatigheidsnormen worden vastgesteld: voor het bepalen wat kwalitatief goede Wlz-mondzorg is zullen de professionals uit het veld die deze zorg moeten leveren, zoals tandartsen en mondzorgorganisaties, betrokken moeten worden. Dat is niet alleen van belang voor het draagvlak van deze normen, maar ook voor de (juridische) houdbaarheid daarvan.
Het is immers nog niet zo lang geleden dat de IGJ concludeerde dat Wlz-cliënten veel te weinig of geen mondzorg ontvingen of de kwaliteit van de mondzorg niet in orde was. Een terugkeer naar die situatie moet worden voorkomen. Voorkomen moet worden dat puur op kostenbesparing gerichte doelmatigheidsnormen ontstaan en/of normen waarvan tandartsen in de praktijk niet meer durven af te wijken.
De in te zetten zorgverleners
De staatssecretaris is voorts nog ingegaan op de mondzorgverleners die de professionele mondzorg kunnen verlenen. De staatssecretaris zet uiteen dat sprake is van functionele bekostiging, waarbij niet is bepaald wie de mondzorg mogen leveren: de uitvoerende zorgverlener moet bevoegd en bekwaam zijn. De staatssecretaris geeft als voorbeeld de gebitscontrole: dit betreft geen voorbehouden handeling en mag dus ook door niet BIG-geregistreerde zorgverleners worden uitgevoerd. Wel acht de staatssecretaris het van belang dat de basis voor de verrichtingen vastligt in het mondzorgplan, onder de verantwoordelijkheid van de tandarts.
Daarnaast gaat de staatssecretaris ook nog expliciet in op de inzet van preventie-assistenten. Daarover schrijft de staatssecretaris dat preventie-assistenten een aantal werkzaamheden zelfstandig mogen uitvoeren, waarbij opnieuw van belang wordt geacht dat de basis daarvan vastligt in het mondzorgplan.
Meer controles?
Tot slot geeft de staatssecretaris te kennen dat de IGJ de afgelopen jaren maar een beperkt aantal meldingen ontving over mond- en tandzorg in verpleeghuizen. Deze meldingen gaven daarom geen aanleiding tot het intensiveren van het toezicht op de mondzorg in verpleeghuizen. Volgens de staatssecretaris geven de huidige aandacht en signalen hier op dit moment wel aanleiding toe. Het is dus te verwachten dat de IGJ meer onderzoeken zal gaan uitvoeren naar de mondzorg in de Wlz.
Tot slot
Het is positief dat dat de staatssecretaris duidelijkheid heeft gegeven over een aantal prangende punten in de Wlz-mondzorg. Met name wat betreft de ontwikkeling van ideeën rondom de passendheid van de Wlz-mondzorg zullen nog stappen moeten worden gezet, waarbij zorgvuldigheid vereist is. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd.