Informatie delen met politie en justitie: mag je het beroepsgeheim doorbreken?

Nura Mirdad

Advocaat

Het medisch beroepsgeheim is een essentieel onderdeel van de relatie tussen hulpverleners en patiënten. Het zorgt ervoor dat patiënten in vertrouwen hun gedachten en ervaringen in vrijheid kunnen delen met hun hulpverlener. Het kan voorkomen dat politie of justitie een hulpverlener benaderd, waarbij informatie wordt uitgevraagd over een patiënt. Hoe verhoudt zo’n informatieverzoek zich tot het beroepsgeheim? Daar gaan wij in dit artikel verder op in.

Wat is het juridisch kader van het beroepsgeheim?

Het beroepsgeheim is vastgelegd in artikel 457 van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Het beroepsgeheim duurt voort na het overlijden van de patiënt én geldt ook – bij leven en na overlijden – ten opzichte van politie en justitie. Het beroepsgeheim bestaat uit de zwijgplicht tegenover een ieder en het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht houdt in dat een arts geen antwoord hoeft te geven op vragen van een rechter of opsporingsambtenaar (zoals politie / justitie) en volgt uit artikel 218 Wetboek van Strafvordering. Het beroepsgeheim brengt met zich mee dat een hulpverlener niet de vraag kan beantwoorden of hij een persoon heeft behandeld of gezien, of diens identiteitsgegevens kan prijsgeven. Ook indien de persoon verdacht wordt van een strafbaar feit, dient een hulpverlener het beroepsgeheim strikt te handhaven. De enige uitzondering kan zijn indien er een gevaardreiging is van de persoon, die kan worden bestreden door het beroepsgeheim te doorbreken. Het gaat daarbij om de zeer uitzonderlijke omstandigheid waarbij het waarheidsbelang prevaleert boven het beroepsgeheim. Dit wordt een conflict van plichten genoemd. De hulpverlener moet dan zelf afwegen of er sprake is van zo’n omstandigheid. Relevant hierbij is of de gegevens uit het dossier onmisbaar zijn, niet op een andere manier kunnen worden verkregen en of het gaat om (een vermoeden van) een ernstig strafbaar feit. In de KNMG-Handreiking Beroepsgeheim en politie/justitie worden veel praktijkvoorbeelden besproken en wordt onder andere ook ingegaan op de situatie dat de patiënt een strafbaar feit pleegt binnen de hulpverlening.

Beroepsgeheim terecht of onterecht doorbroken?

Toch kan de rechter-commissaris ook oordelen dat er geen beroep kan worden gedaan op het verschoningsrecht, zoals in de zaak Thijs H. is gebeurd. Thijs H. verbleef in een instelling en heeft op twee verschillende dagen drie mensen om het leven gebracht. Pas de tweede keer toen Thijs H. met bebloede kleding terugkwam bij de instelling, werd de politie ingeschakeld. De Officier van Justitie vorderde alle opgenomen camerabeelden van deze periode, waarop de instelling zich op het verschoningsrecht beriep. De rechter-commissaris oordeelde dat het beroep op het verschoningsrecht door de instelling diende te wijken voor het belang van de waarheidsvinding, vanwege het belang van de benodigde informatie, het feit dat er geen andere manieren waren om deze informatie te achterhalen en de zeer beperkte inbreuk die hierdoor zou ontstaan. Tenslotte gaf een latere onderzoekscommissie van de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd aan, dat de instelling eerder het beroepsgeheim had kunnen doorbreken (na de eerste keer terugkomen met bebloede kleding), maar benadrukte dat het doorbreken van het beroepsgeheim een beslissing van de zorgverlener is en geen wettelijke plicht. Zie daarvoor verder dit artikel.

In een andere zaak stond de vraag centraal of het beroepsgeheim was doorbroken. Een patiënt had de auto van een arts in brand gestoken waarop deze arts aangifte had gedaan bij de politie. In de aangifte hij had medegedeeld dat de patiënt een TBC-onderzoek wilde. De patiënt diende vervolgens een tuchtklacht in, omdat hij van mening was dat de arts zijn beroepsgeheim had geschonden, nu hij een medisch gegeven had gedeeld met de politie. Het tuchtcollege oordeelde dat het beroepsgeheim inderdaad was geschonden en dat de arts de informatie betreffende het TBC-onderzoek niet noodzakelijk was voor het doen van aangifte.

Tot slot

Het is dus goed om in het achterhoofd te houden dat er terughoudend mee om moet worden gegaan om het beroepsgeheim te doorbreken. Daarnaast dienen bij het doorbreken van het beroepsgeheim altijd de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht te worden genomen. Als dat namelijk niet gebeurt, loopt een hulpverlener het risico dat (onterecht) het beroepsgeheim wordt geschonden. Bij het verstrekken van informatie is het daarom raadzaam om altijd na te gaan dat er niet meer informatie wordt verstrekt dan noodzakelijk én of dit binnen de wettelijke kaders valt. Ook als het informatieverzoek van politie of justitie afkomstig is.

Specialisten over dit onderwerp

Gerelateerde items