Kort geding: geen toepassing van de Wet Bibob bij de inkoop van Wlz-zorg

Joep Duijzings

Advocaat

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (“Wet Bibob”) speelt een steeds belangrijkere rol bij de bestrijding van zorgfraude. Deze wet biedt bestuursorganen de mogelijkheid om te onderzoeken of zij te maken hebben met integere zorgaanbieders en of er een risico bestaat dat overheidsgelden worden misbruikt voor criminele activiteiten. Voor de inzet van de Bibob-toets moet echter wel een wettelijke grondslag bestaan. Dit wordt bevestigd in een recente uitspraak waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat het zorgkantoor van Menzis in haar inkoopprocedure voor Wlz-zorg géén Bibob-toets mag opnemen in haar inkoopbeleid, omdat hiervoor op dit moment geen wettelijke grondslag bestaat.

De kern van de zaak

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft zich in kort geding gebogen over de vraag of het zorgkantoor van Menzis (hierna: Menzis) in het kader van de inkoop van Wlz-zorg een Bibob-toets mag toepassen. In deze procedure stond Menzis tegenover Pleyade, een Wlz-zorgaanbieder die bezwaar maakte tegen de voorgenomen toepassing in het inkoopbeleid van Menzis.

In dit inkoopbeleid is opgenomen dat zorgaanbieders, om voor een contract met Menzis in aanmerking te komen, een Bibob-vooronderzoekformulier moesten indienen. Daarin werden onder meer gegevens gevraagd over onderaannemers, vertegenwoordigers, leidinggevenden en vermogensverschaffers. Indien uit het vooronderzoek integriteitsrisico’s naar voren zouden komen, kon Menzis de zorgaanbieder verplichten een uitgebreider Bibob-vragenformulier in te vullen. Daarnaast bood het inkoopbeleid Menzis de mogelijkheid om advies in te winnen bij het Landelijk Bureau Bibob (“LBB”).

Volgens Pleyade ontbrak echter een wettelijke grondslag om de Wet Bibob op deze wijze toe te passen in een inkoopprocedure voor Wlz-zorg. Pleyade vorderde daarom dat Menzis het inkoopbeleid zou aanpassen en de bepalingen over het Bibob-onderzoek zou schrappen.

Standpunt Menzis

Menzis voerde bij de rechter aan dat toepassing van de Wet Bibob haar in staat stelt om malafide zorgaanbieders te weren en daarmee een integere zorgketen te waarborgen. Volgens Menzis is dit van belang omdat zij de afgelopen jaren in toenemende mate te maken heeft met zorgcriminaliteit die zich steeds meer verplaatst naar de Wlz.

Standpunt Pleyade  

Pleyade onderschrijft het doel van Menzis om zorgfraude tegen te gaan en de integriteit van de zorgketen te waarborgen. Zij stelt zich echter op het standpunt dat dit doel niet kan rechtvaardigen dat zonder wettelijke grondslag persoonsgegevens van bestuurders en andere bij een zorgaanbieder betrokken personen worden opgevraagd en verwerkt. Voor een rechtmatige verwerking van dergelijke persoonsgegevens is immers een wettelijke grondslag als bedoeld in de AVG vereist. Volgens Pleyade ontbreekt die grondslag omdat de Wet Bibob niet voorziet in toepassing daarvan bij de inkoop van Wlz-zorg.

Ook de wetsgeschiedenis biedt volgens Pleyade geen aanknopingspunt voor een andere uitleg. Daaruit kan volgens haar niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de reikwijdte van de Wet Bibob uit te breiden tot de inkoop van Wlz-zorg.

Oordeel voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter volgt Pleyade in haar standpunten.

De Wet Bibob kan echter slechts worden toegepast bij een overheidstaak die binnen de reikwijdte van deze wet vallen. Het begrip ‘overheidstaak’ is daarom bepalend voor de vraag of Menzis de Wet Bibob mag inzetten bij haar inkoopprocedure. Artikel 1 lid 4 onder b van de Wet Bibob bepaalt welke activiteiten als overheidstaak worden aangemerkt. Hieronder valt onder meer het sluiten van een overeenkomst waarbij een rechtspersoon met een overheidstaak zorg inkoopt als bedoeld in artikel 2.11 van de Jeugdwet of artikel 2.1.1 van de Wmo 2015.

Artikel 1 lid 4 onder b van de Wet Bibob ziet volgens de rechter, gezien de tekst van het artikel, op overeenkomsten waarbij zorg wordt ingekocht op grond van de Jeugdwet of de Wmo. Er is hierbij sprake van een limitatieve opsomming van twee vormen van zorg en hierbij is volgens de voorzieningenrechter geen ruimte om af te wijken van de wettekst, in die zin dat ook een andere vorm van zorg onder de reikwijdte van de bepaling moet worden begrepen.

Menzis stelde zich nog op het standpunt dat deze bepaling, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de doelstelling van de Wet Bibob, niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat de bevoegdheid uitsluitend geldt voor de inkoop van jeugdzorg en Wmo-zorg. Volgens Menzis biedt de bepaling ook een grondslag voor toepassing van de Wet Bibob bij de inkoop van Wlz-zorg, maar hier ging de rechter dus niet in mee.

De wetsgeschiedenis waar Menzis zich onder andere op beriep, had volgens de rechter een beperktere strekking dan hoe Menzis dit interpreteert. In de aangevoerde Kamerstukken komt naar voren dat met de wetswijziging van 2022 is beoogd om de Wet Bibob uit te breiden naar bepaalde vormen van zorginkoop die daarvoor nog niet onder de wet vielen, namelijk de inkoop van SAS-diensten op grond van de Jeugdwet en de Wmo via een (semi)-open house- of toelatingsprocedure. Volgens de voorzieningenrechter betekent deze uitbreiding echter niet dat de wetgever heeft bedoeld om de Wet Bibob ook van toepassing te verklaren op inkoopprocedures waarbij Wlz-zorg wordt ingekocht.

Tot slot

Deze uitspraak schept duidelijkheid over de reikwijdte van de Wet Bibob in de inkoopprocedure van zorg. Vooralsnog blijft toepassing van deze wet bij zorginkoop beperkt tot de inkoop van zorg op grond van de Jeugdwet of de Wmo.

Menzis heeft in een reactie op de uitspraak aangegeven zich actief te zullen inzetten voor een wettelijke verankering van de bevoegdheid om de Wet Bibob toe te kunnen passen bij de inkoop van Wlz-zorg. Wij houden u op de hoogte van de ontwikkelingen omtrent dit onderwerp.

Specialisten over dit onderwerp

Daniël Post

Advocaat-Partner 030-2393384 Lees meer

Marit Janssen

Juridisch medewerker 030-2339396 Lees meer

Gerelateerde items