Nieuwe flexwet raakt zorgsector: geen uitzondering voor ouderenzorg

Demi van Sas

Advocaat

Het kabinet en de Tweede Kamer werken samen aan een hervorming van de arbeidsmarkt. Het doel: een betere balans creëren tussen zekerheid en wendbaarheid, met tegelijkertijd een toekomstbestendig stelsel van sociale zekerheid. Om dat te realiseren is een arbeidsmarktpakket samengesteld, bestaande uit meerdere wetsvoorstellen. Onderdeel van dit pakket zijn onder meer de Zelfstandigenwet (waarover wij eerder schreven in ons artikel ‘Streep door deel Wet VBAR: verschuiving naar Zelfstandigenwet’) en de Wet meer zekerheid flexwerkers (hierna: de “flexwet”). Dit laatste wetsvoorstel staat in dit artikel centraal. Omdat het voorstel nog niet is aangenomen, kan de inhoud en uitwerking van het voorstel nog wijzigen. Zoals het wetsvoorstel nu is geformuleerd, kan het gevolgen hebben voor sectoren waarin veel gebruik wordt gemaakt van flexibele arbeid, zoals in de zorg.

Volgens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel leidt de huidige flexibiliteit van arbeid tot ongewenste uitkomsten op drie belangrijke aspecten: het persoonlijke leven van werknemers, de samenleving en de economie. Met de flexwet wordt beoogd daar verandering in te brengen.

Wat verandert er met de flexwet?

De flexwet moet werknemers met een flexibel contract meer zekerheid bieden en tegelijkertijd het verschil in concurrentiepositie tussen vaste contracten, uitzendwerk en andere flexibele arbeidsvormen verkleinen. Om dat te bereiken, bevat het wetsvoorstel een aantal belangrijke beperkingen:

  • Verkorten van de ketenregeling
    De huidige hoofdregel is dat werkgevers maximaal drie jaar maximaal drie tijdelijke contracten mogen aanbieden. Daarna ontstaat bij voortzetting van het dienstverband een vast contract. Daarbij geldt dat deze termijnen ook doorlopen als het dienstverband voor maximaal zes maanden wordt onderbroken. Duurt de onderbreking langer dan zes maanden, dan begint de termijn opnieuw.
    De flexwet wijzigt deze tussenpoos van zes maanden naar 60 maanden. Dat betekent dat minder snel een nieuwe keten van tijdelijke contracten zal starten en ook werknemers die werken met een tussenpoos van meer dan 6 maanden wel een vast contract krijgen.
  • Afschaffen van nulurencontracten en min-maxcontracten
    In het wetsvoorstel wordt de mogelijkheid tot het geven van een nulurencontract of een min-maxcontract afgeschaft. Daarvoor in de plaats komt het zogenoemde bandbreedtecontract. Binnen dit contract kan een kwartaalurennorm worden afgesproken, waarbij maximaal 30% van die norm mag worden afgeweken.
  • Verkorten van Fase B voor uitzendkrachten
    Voor uitzendkrachten geldt nu dat zij pas na het doorlopen van zowel Fase A als Fase B een vast contract aangeboden moeten krijgen. Fase A duurt momenteel maximaal 52 weken en Fase B maximaal drie jaar. De flexwet stelt voor om Fase B te verkorten naar twee jaar.
  • Gelijkstellen arbeidsvoorwaarden
    Om concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan, wordt daarnaast voorgesteld dat werknemers die ter beschikking worden gesteld, recht krijgen op arbeidsvoorwaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de inlener. Dit betekent in de praktijk dat de inzet van uitzendkrachten voor inleners duurder kan worden.

Deze beperkingen gelden niet voor minderjarigen, scholieren en studenten in een bijbaan en niet voor terugkerend tijdelijk werk / seizoensarbeid.

Geen uitzondering in de ouderenzorg

Binnen de ouderenzorg stuit het wetsvoorstel op kritiek. Op dit moment zijn er in deze sector ruim 58.000 oproepkrachten werkzaam op basis van een nulurencontract. De branchevereniging ActiZ vreest door de invoering van de flexwet deze oproepkrachten kwijt te raken aan andere sectoren of aan duurdere vormen van inhuur, zoals zzp’ers. Om die reden is gevraagd om voor de ouderenzorg een uitzondering te maken. Het amendement dat daarvoor in de Tweede Kamer werd ingediend, is echter verworpen. Dat betekent dat de in het wetsvoorstel geformuleerde beperkingen ook in de ouderenzorg volledig gaan gelden. De minister van Sociale Zaken Hans Vijlbrief meent namelijk dat het huidige voorstel ook aan de ouderenzorg voldoende flexibiliteit biedt.

Wél ruimte voor pgb-houders en pgb-zorgverleners

Opvallend is het voornemen om wel een uitzondering te maken voor pgb-houders en pgb-zorgverleners. Na publicatie van het wetsvoorstel heeft de SVB onderzocht of de wet in de praktijk uitvoerbaar is. Uit de beoordeling bleek dat de invoering van de flexwet binnen de huidige regels en uitvoering van het pgb op kort termijn (voor 2030) niet haalbaar is, zonder grote gevolgen voor pgb-houders en een aanzienlijke toename aan uitvoeringslasten voor de pgb-keten. Om die reden behouden pgb-houders en pgb-zorgverleners voorlopig de mogelijkheid om nulurencontracten af te sluiten. Ook blijft voor hen de huidige tussenpoos van zes maanden vooralsnog bestaan. In de tussentijd wordt gezocht naar een oplossing waarmee de flexwet op termijn ook voor de pgb-keten uitvoerbaar kan worden gemaakt.

Conclusie

De flexwet is een onderdeel van het bredere arbeidsmarktpakket en moet bijdragen aan een betere balans tussen zekerheid en wendbaarheid op de arbeidsmarkt. Juist binnen de zorgsector roept het wetsvoorstel echter de nodige vragen op. Waar de pgb-keten voorlopig buiten schot blijft vanwege uitvoeringsproblemen, krijgt de ouderenzorg geen uitzonderingspositie. En dat terwijl juist daar op grote schaal gebruik wordt gemaakt van nulurencontracten. Wat de praktische gevolgen hiervan voor de sector zullen zijn, zal de komende jaren moeten blijken. Dat hangt mede af van de uiteindelijke inhoud van het wetsvoorstel.

Specialisten over dit onderwerp

Karik van Berloo

Advocaat-Partner 030-2393386 Lees meer

Gerelateerde items