Afslankmedicatie is een controversieel onderwerp dat leidt tot maatschappelijke discussies. Te denken valt aan het middel Ozempic, dat oorspronkelijk als geneesmiddel werd gebruikt door diabetespatiënten maar tegenwoordig vooral bekend is als middel om af te vallen. Het is dan ook niet vreemd dat media schrijven over afslankmedicatie. Toch kijkt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kritisch naar het schrijven van artikelen over dergelijke medicatie. Een publicatie over afslankmedicatie kan namelijk worden aangemerkt als reclame voor de geneesmiddelen en dat is verboden op grond van de Geneesmiddelenwet. Indien dit verbod wordt overtreden, is de IGJ bevoegd om een boete op te leggen. Dit hebben verschillende media, zoals NRC, de Volkskrant, AD en De Telegraaf, onlangs ook ervaren.
Maar wanneer is er sprake van reclame over geneesmiddelen? En kunnen media-artikelen over afslankmedicatie worden aangemerkt als reclame? Daar gaan wij in dit artikel verder op in.
Verbod op reclame over geneesmiddelen
In de Geneesmiddelenwet (Gnw) wordt reclame voor geneesmiddelen verboden in artikel 84 lid 2 Gnw. Onder reclame wordt verstaan:
‘’elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe’’
Indien reclame kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren is bestemd, wordt het aangemerkt als publieksreclame. Dit is verboden in artikel 85 aanhef en lid 1 Gnw.
Indien deze verboden worden overtreden is de IGJ bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen. Deze boete kan maximaal €1.100.000,- bedragen op grond van artikel 101 Gnw, maar in de praktijk worden op grond van boetebeleidsregels aanzienlijk lagere boetes opgelegd. Ook komt het voor dat opgelegde boetes door de rechter nog verder worden gematigd.
Wat valt volgens de rechtspraak onder reclame voor geneesmiddelen?
De begripsbepaling van reclame voor geneesmiddelen uit de Gnw lijkt vrij beperkt. Uit jurisprudentie volgt echter dat het begrip ruim moet worden uitgelegd. Uit een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2026 blijkt dat de artikelen over afslankmedicatie Ozempic en Wegovy, anders dan de uitgever DPG Media stelde, niet een informerend doel hadden, maar er wel degelijk sprake was van (publieks)reclame.
De rechtbank ging niet mee in dit standpunt van DPG Media en volgde ook niet het standpunt van DPG Media dat de oplegging van de boetes in strijd zou zijn met de persvrijheid.
De rechtbank oordeelde dat de artikelen niet zuiver informatief waren omdat zij vooral de positieve eigenschappen benadrukten voor de behandeling van overgewicht. De artikelen zouden daarmee het effect hebben dat lezers deze medicatie zouden willen gebruiken. De stelling van DPG Media dat de artikelen de bedoeling hadden om lezers te informeren en een maatschappelijke discussie op gang te brengen, deed daar niet aan af. De rechtbank oordeelde dan ook dat er sprake was van (publieks)reclame en achtte de door de IGJ opgelegde boetes gegrond.
Er kan ook sprake zijn van geneesmiddelenreclame als dat niet is beoogd
De rechtbank Amsterdam verwees dan in haar overweging naar een uitspraak van het Europese Hof van Justitie die relevant is voor de uitleg van het reclameverbod, dat gebaseerd is op een Europese richtlijn:
‘’de verspreiding door een derde van informatie over een geneesmiddel, met name over de therapeutische of profylactische werking ervan, kan worden aangemerkt als reclame in de zin van dit artikel, zelfs indien deze derde op eigen initiatief handelt en feitelijk en rechtens volledig onafhankelijk is van de fabrikant of de verkoper van dat geneesmiddel. Het staat aan de nationale rechter, te bepalen of deze verspreiding een vorm van colportage, marktverkenning of stimulering vormt die is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen.’’
Hieruit volgt dat een commercieel doel vereist is. Enkel het feit dat er door een derde informatie wordt verspreid over de werking van een geneesmiddel, kan al voldoende zijn om het artikel aan te merken als reclame voor geneesmiddelen.
In een andere uitspraak van het Europese Hof van Justitie werd wederom verwezen naar de bovenstaande uitleg. Daarnaast volgt uit deze uitspraak dat de rechtvaardiging voor een ruime opvatting gelegen ligt in het feit dat een verkeerd of overmatig gebruik van dergelijke middelen ernstige gevolgen kan hebben voor de gezondheid.
Het is goed om daarbij te beseffen dat er ook sprake kan zijn van verboden geneesmiddelenreclame als het middel in kwestie in het normaal spraakgebruik niet wordt gezien als geneesmiddel, maar gelet op een bepaalde werking die wordt geclaimd toch als geneesmiddel kan worden gezien. Zo is in het verleden een boete opgelegd vanwege de reclame die gemaakt was voor (de eigenschappen) van Becel, waardoor dit gezien werd als een geneesmiddel. Dit werd destijds ook aangemerkt als verboden geneesmiddelenreclame en is door de rechter gehonoreerd.
Is elk artikel over geneesmiddelenreclame?
Het verbod op reclame verbiedt, zonder uitzondering, elke publieksreclame voor geneesmiddelen die uitsluitend op recept mogen worden verstrekt. Dit betekent echter niet dat alle publicaties als reclame kunnen worden beschouwd. Zo overwoog de rechtbank Amsterdam het volgende:
‘Indien eiseres een zuiver informatief artikel publiceert over geneesmiddelen, dat in overeenstemming is met de samenvatting van de productkenmerken en niet kan worden aangemerkt als publieksreclame, dan zal boeteoplegging niet aan de orde zijn.’’
Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank van mening is dat journalisten kunnen blijven schrijven over dit onderwerp, zolang de publicaties puur informatief zijn en in overeenstemming met de productkenmerken en niet (vooral) één kant van de medaille wordt belicht.
Tot slot
Concluderend, het begrip ‘’reclame voor geneesmiddelen’’ wordt ruim uitgelegd. Dat heeft tot gevolg dat bij het schrijven over specifieke geneesmiddelen op recept snel sprake zal zijn van overtreding van het verbod op geneesmiddelenreclame.