De kwalificatie van arbeidsrelaties blijft een van de meest besproken onderwerpen binnen het arbeidsrecht. Wanneer is iemand écht zelfstandig ondernemer en wanneer is er sprake van een arbeidsovereenkomst? Om hierover meer duidelijkheid te bieden, zijn twee wetsvoorstellen ontwikkeld: de Wet VBAR, die uitgaat van beoordeling achteraf, en de Zelfstandigenwet, die juist vooraf criteria stelt voor zelfstandig ondernemerschap. Waar aanvankelijk de nadruk lag op de Wet VBAR, heeft het kabinet op 6 maart 2026 een koerswijziging aangekondigd: een belangrijk deel van deze wet wordt niet meer ingevoerd. De focus verschuift daarmee naar de Zelfstandigenwet.
Wet VBAR
Het kabinet heeft besloten om het zogenoemde verduidelijkingsdeel van de Wet VBAR te schrappen. Dit onderdeel werkte aan de hand van de criteria ‘sturing’ en ‘ondernemingsrisico’ – zoveel mogelijk gebaseerd op bestaande jurisprudentie – nader uit wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. In de praktijk leidde dit echter tot onduidelijkheid en uiteenlopende interpretaties, in plaats van de beoogde helderheid.
Met het schrappen van dit deel wil het kabinet meer rust creëren en voorkomen dat opdrachten onnodig wegvallen. Tegelijkertijd wordt hiermee de weg vrijgemaakt voor de verdere ontwikkeling en invoering van de Zelfstandigenwet, die expliciet onderdeel is van het coalitieakkoord.
Een belangrijk onderdeel van de Wet VBAR blijft wél overeind: het rechtsvermoeden van werknemerschap. Dit zal naar verwachting op korte termijn worden ingevoerd en houdt in dat bij een uurtarief tot € 38,00 wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dat geval ligt de bewijslast bij de opdrachtgever om aan te tonen dat toch sprake is van zelfstandigheid.
Dit brengt risico’s met zich voor met name de opdrachtgever / werkgever: als de zelfstandigheid onvoldoende kan worden onderbouwd, kunnen naheffingen van premies die de onderneming als werkgever had af moeten dragen en andere arbeidsrechtelijke verplichtingen volgen. Deze arbeidsrechtelijke verplichtingen kunnen vergaande consequenties hebben, zeker als op de sector een algemeen verbindend verklaarde CAO van toepassing is.
Zelfstandigenwet
De Zelfstandigenwet moet juist duidelijk maken wanneer wél sprake is van zelfstandig ondernemerschap. Anders dan de Wet VBAR kiest deze wet ter bevordering van de rechtszekerheid voor een toets vooraf op basis van een wettelijke kwalificatie. Het toetsingskader bestaat uit twee onderdelen; de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets.
Om als zelfstandige te kwalificeren moet aan alle vijf de criteria uit de zelfstandigentoets zijn voldaan:
- De zelfstandige werkt voor eigen rekening en risico;
- De zelfstandige voert een deugdelijke administratie;
- De zelfstandige uit zich in het economisch verkeer als zelfstandig ondernemer;
- De zelfstandige heeft een adequate voorziening getroffen tegen het risico van arbeidsongeschiktheid;
- De zelfstandige voorziet in een proportionele bijdrage voor een voorziening tegen inkomensverlies en / of armoedeval bij pensionering.
Het wetsvoorstel werkt deze criteria nader uit met een niet-limitatieve lijst van indicaties die kunnen bijdragen aan de onderbouwing van deze voorwaarden. Daarnaast wordt verwacht dat brancheorganisaties, belangenverenigingen en/of marktpartijen instrumenten gaan ontwikkelen om de zelfstandigentoets praktisch toepasbaar te maken. Daarbij kan worden gedacht aan vragenlijsten, keurmerken, bewijsstukken of adviezen van de op te richten Werkrelatiecommissie.
Om de afwezigheid van gezag en een dienstverband te onderbouwen, moet aan alle vier de criteria uit de werkrelatietoets zijn voldaan:
- er is sprake van vrijheid van organisatie van de werktijd;
- er is sprake van vrijheid van organisatie van werk;
- er is geen sprake van hiërarchische controle;
- de partijen hebben de bedoeling om anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid te verrichten.
Naast dit toetsingskader introduceert de wet de mogelijkheid om op sectoraal niveau een rechtsvermoeden te hanteren voor sectoren met een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid. Indien is voldaan aan alle criteria van zowel de zelfstandigentoets als de werkrelatietoets én de opdrachtnemer niet werkzaam is een aangewezen risicosector, wordt de arbeidsrelatie volgens het wetsvoorstel onweerlegbaar als zelfstandig ondernemerschap gekwalificeerd.
De Zelfstandigenwet lijkt daarmee een duidelijker wettelijk toetsingskader te creëren. Daarbij wordt afstand genomen van open normen zoals ‘inbedding’, die in de praktijk regelmatig tot discussie leiden. Het uitgangspunt van de wet is dat opdrachtgevers en opdrachtnemers vooraf beter kunnen beoordelen wanneer sprake is van zelfstandig ondernemerschap.
Voor gevallen waarin twijfel blijft bestaan, introduceert het wetsvoorstel een Commissie Beoordeling Toetsingskader Zelfstandigenwet die op een laagdrempelige en heldere wijze werkrelaties kan beoordelen. De beoordelingen van de commissie zijn bindend voor handhavende instanties zoals de Belastingdienst en zullen openbaar gemaakt worden om een regulerende werking te laten hebben op markt partijen. Het kabinet heeft aangekondigd de komende periode actief verder te werken aan deze wet. De Zelfstandigenwet lijkt daarmee het belangrijkste toekomstige kader te worden voor de beoordeling van zelfstandigheid.
Hoe nu verder?
De recente ontwikkelingen maken duidelijk dat het wettelijke kader nog in beweging is. Het verduidelijkingsdeel van de Wet VBAR verdwijnt, terwijl het rechtsvermoeden van werknemerschap waarschijnlijk wel wordt ingevoerd. Tegelijkertijd wordt de Zelfstandigenwet verder vormgegeven als toekomstig toetsingskader. Voor de praktijk betekent dit dat voorlopig moet worden gewerkt met een combinatie van bestaande rechtspraak, de feitelijke inrichting van de arbeidsrelatie – en in toenemende mate – het uurtarief. Dat vraagt om een zorgvuldige beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Tegelijkertijd lijkt de Zelfstandigenwet, mede door in de wet geformuleerde criteria en de introductie van een toetsingscommissie, uiteindelijk te kunnen bijdragen aan meer rechtszekerheid voor zowel opdrachtgevers als zelfstandigen.