De discussie over schijnzelfstandigheid (in de zorg) blijft actueel. Nu de Belastingdienst strenger handhaaft, of daar althans mee schermt, groeit bij zowel zorgaanbieders als zelfstandig zorgverleners de behoefte aan duidelijkheid over de vraag wanneer sprake is van een overeenkomst van opdracht en wanneer van een arbeidsovereenkomst.
Een recente uitspraak van de kantonrechter te Rotterdam laat zien dat als zelfstandige werken in de zorg onder deze omstandigheden nog steeds mogelijk is. Wat deze zaak verder interessant maakt, is de manier waarop deze aan de rechter is voorgelegd.
Vooraf om duidelijkheid vragen
Vaak ontstaat een civielrechtelijke discussie over de kwalificatie van een arbeidsrelatie pas nadat de samenwerking is beëindigd. In deze zaak wilden partijen die discussie achteraf (of een eventuele discussie met de belastingdienst) juist voorkomen. Daarom legden een zorgaanbieder en drie zelfstandige zorgverleners hun rechtsverhouding gezamenlijk aan de kantonrechter voor op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij verzochten de rechter om vooraf vast te stellen dat hun samenwerking kwalificeerde als een overeenkomst van opdracht en niet als een arbeidsovereenkomst. De rechter heeft hier vervolgens ook daadwerkelijk een oordeel over geveld.
De casus
De zaak draait om een zorgaanbieder die aanvullende mantelzorg organiseert voor thuiswonende ouderen en andere hulpbehoevenden. Voor deze ondersteuning werkt zij samen met freelance mantelzorgers, die zorgmaatjes worden genoemd. Hun werkzaamheden bestaan onder meer uit persoonlijke begeleiding en hulp in de huishouding.
De samenwerking tussen partijen is vastgelegd in een raamovereenkomst met een looptijd van twaalf maanden. De zorgmaatjes waren vrij om opdrachten te accepteren of te weigeren. Pas na de acceptatie kwam een concrete opdracht tot stand. Vervolgens stemden zij rechtstreeks met de cliënt af hoe de werkzaamheden werden uitgevoerd en op welke momenten.
Oordeel van de rechter
De kantonrechter oordeelde dat in deze specifieke situatie sprake was van een overeenkomst van opdracht.
Bij die beoordeling toetste de kantonrechter de samenwerking aan de criteria uit het Deliveroo-arrest. Wij schreven daarover eerder dit artikel. Daarbij werd onder meer gekeken naar de vrijheid van de zorgmaatjes om opdrachten te accepteren of te weigeren, de vrijheid in de uitvoering van de opdracht(en), de mogelijkheid van vervanging, de wijze van beloning en het ondernemersrisico.
Volgens de kantonrechter wijzen de gezichtspunten op een overeenkomst van opdracht. Daarbij weegt met name mee dat de zorgmaatjes zelf hun werktijden en planning bepalen, opdrachten kunnen weigeren, niet deelnemen aan interne overleggen of functioneringsgesprekken en veel vrijheid hebben bij de uitvoering van hun werkzaamheden.
Afweging
Opvallend is dat de kantonrechter de verschillende gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest vrijwel allemaal afzonderlijk in de richting van een overeenkomst van opdracht laat wijzen, terwijl er ook omstandigheden aanwezig zijn die in een andere zaak juist op een arbeidsovereenkomst hadden kunnen wijzen. Zo ontvangen de zorgmaatjes een uniform uurtarief waarover niet is onderhandeld. Ook staat het hen contractueel dan wel vrij om voor andere opdrachtgevers te werken, maar blijkt uit de uitspraak niet dat zij dat in de praktijk ook doen. Evenmin blijkt dat zij zich op andere manieren als ondernemer gedragen. Toch lijkt de kantonrechter hierin geen aanleiding te zien om deze omstandigheden in de richting van een arbeidsovereenkomst te laten wegen.
Daarmee laat deze uitspraak opnieuw zien dat dezelfde criteria in verschillende zaken tot verschillende uitkomsten kunnen leiden.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat zelfstandig werken in de zorg nog steeds mogelijk is. Tegelijkertijd bevestigt zij dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie afhankelijk blijft van een beoordeling van alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang.
Het blijft de vraag of het wetsvoorstel Zelfstandigenwet (zie hierover dit artikel op onze site) – als dit wordt ingevoerd – voor meer duidelijkheid zal zorgen. Het huidige voorstel voorziet in de mogelijkheid om een rechtsverhouding vooraf te laten toetsen door een toetsingscommissie. Of en in hoeverre dit daadwerkelijk tot meer duidelijkheid in de praktijk zal leiden, zal moeten blijken.