Overheadcomponent in ketenzorg en btw

20 januari 2020

Op 17 januari 2020 heeft de Hoge Raad een opmerkelijke uitspraak gedaan in een geschil tussen de fiscus en een vennootschap die multidisciplinaire zorg voor patiënten organiseert en coördineert in het kader van chronische aandoeningen, zoals diabetes en COPD. Deze multidisciplinaire zorg wordt verleend in de vorm van zogenoemde ‘ketenzorg’, hetgeen inhoudt dat op de patiënt afgestemde diensten worden verleend door zorgverleners zoals verpleegkundigen, diëtisten, podotherapeuten en medisch specialisten.

Ketenzorg wordt op basis van NZa-beleidsregels integraal bekostigd door zorgverzekeraars. De vennootschap is dan hoofdaannemer en zoekt er onderaannemers bij. De hoofdaannemer organiseert de zorg en de onderaannemers zijn medisch eindverantwoordelijk. De hoofdaannemer sluit met het oog op die integrale bekostiging overeenkomsten met de zorgverzekeraars, waarin de hoofdaannemer zich ertoe verbindt om aan patiënten ketenzorg te verlenen en daartoe passende zorgverleners als onderaannemer te contracteren.

De hoofdaannemer declareert een DBC-tarief bij de zorgverzekeraar, welk tarief bestaat uit een zorgcomponent en een overheadcomponent. Tussen de fiscus en de hoofdaannemer was niet in geschil dat de zorgcomponent vrijgesteld is van btw. Het geschil ging over de overheadcomponent.

Uit eerdere jurisprudentie blijkt dat voor toepassing van de btw-vrijstelling vereist is dat de verrichte dienst naar zijn aard de bescherming van de gezondheid of genezing door middel van behandeling van ziekten tot doel heeft, dan wel dat die dienst een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel is van een procedé dat in zijn geheel een therapeutisch doelt heeft. Indien daarvan geen sprake is, kan de btw-vrijstelling niet worden toegepast en dient ‘gewoon’ btw te worden betaald over die dienst.

Het gerechtshof had geoordeeld dat de overheadcomponent in deze casus niet valt onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter g van de Wet op de omzetbelasting. De vergoeding voor de overhead-component was volgens het hof een vergoeding voor de generieke component van de dienstverlening, waarmee de organisatiestructuur en kwaliteitscyclus wordt gewaarborgd.

De Advocaat-Generaal die de Hoge Raad adviseert zag in de overheadcomponent wel een verband met de zorg en meende dat die daarom dan ook onder de vrijstelling zou moeten vallen. De Hoge Raad denkt daar anders over. De overheadcomponent staat los van de zorg en is gewoon btw-belast.

Let wel: voor zowel de geboortezorg als de multidisciplinaire zorg geldt sinds 2016 de vrijstelling voor sociaal-culturele instellingen en valt de bekostiging in een keten inclusief de overheadcomponent nu wel onder de vrijstelling. Deze uitspraak ziet dus op de situatie voor 2016, maar dat kan bij veel zorggroepen achteraf dus consequenties hebben.

Het maakt maar weer eens duidelijk dat de fiscaliteit grillig is en niet direct aansluit bij de maatschappelijke behoefte. Het zou goed zijn als VWS en Financiën eerder over dit soort zaken duidelijkheid geven. Want als je ketenzorg wilt bevorderen, moet je vooral niet grijze gebieden hebben, waar achteraf pas duidelijkheid over komt.

Deel dit verhaal:
  • Meld u nu aan voor onze nieuwsbrief!
    Wilt u op de hoogte worden gehouden van de laatste ontwikkelingen en veranderingen op juridisch gebied? Via onze nieuwsbrief krijgt u automatisch de laatste nieuwtjes via de e-mail toegestuurd.
  • Inschrijven nieuwsbrief